De werkgroep steenuilen neemt deel aan het netwerk van werkgroepen in de provincie Overijssel. Ieder jaar is er eind november een bijeenkomst, waarin de broed resultaten en bijzonderheden van het lopende jaar worden besproken. Dit jaar was er een belangwekkende vooruitblik op 2026, want in samenspraak met Vogelbescherming, SOVON en STONE is 2026 het jaar van de steenuil. Dat geeft extra (media) aandacht en financiering voor onderzoek en beschermingsmaatregelen voor de steenuil. Een novum bij de steenuil kasten is om in het sluisje van de kast nog een dubbele pendel te monteren. Wij hebben besloten de resultaten elders af te wachten voordat wij dat ook toepassen.
Kast ophangen op de juiste plek
Een kast ophangen is vooral een constructief klusje. De keuze voor de locatie is gebaseerd op kennis van steenuil gedrag en eisen aan broed- en leefgebied. Kort gezegd is een ideaal erf een beetje rommelig ( schuilplekken voor steenuil en voor muizen), ligt het in een half open landschap ( weiland met her en der bosjes en bomen), zijn er uitkijkposten (schuurtjes, paaltjes van afrastering) en lopen er schapen en/of paarden ( kort gras en mest voor de mei- en mestkevers). De steenuil moet zijn voedsel kunnen vinden binnen 250-300 meter rondom de nestkast. Vooral in de tijd dat er jongen zijn moet er veel en frequent voedsel gebracht worden en dan is een korte vliegtijd een belangrijke tijdwinst en energie besparing.
Dispersie
Hoe vinden we zo’n geschikt erf? We borduren voort op het werk van Henri Timmer, die er twintig jaar geleden mee is begonnen. En we weten van die afgelopen twintig jaar waar steenuilen wel en niet in de kast hebben gebroed. Uit de literatuur blijkt dat de dispersie ( verspreiding na uitvliegen) in de redelijke nabijheid plaats vindt. Dus het eerste zoeken we binnen 5 kilometer van de oude succesvolle kasten naar nieuwe potentiële erven. Overdag kunnen we op zicht beoordelen of zo’n erf aan de ideaaltypische kenmerken, zoals hiervoor beschreven, voldoet. Als dat zo is, dan gaan we ’s-avonds luisteren.
Een goede avond om steenuil geluiden te horen is vanaf half januari, bij windstil weer, een beetje koud en helder. Dan staan we een paar minuten stil en spelen op onze telefoon de territoriumroep van het mannetje af en wachten op een respons. Bij ideale omstandigheden kan dat geluid wel een paar honderd meter ver reiken. Dus dan gaat het zoeken door, totdat we het geluid van de echte steenuil kunnen plaatsen op een erf, of nog leuker, dat we de steenuil zien. Dan zijn die heldere nachten behulpzaam, omdat dan het silhouet te onderscheiden is boven op de schoorsteen, een schuurtje of in de bladerloze kale takken van een boom.
Goed nieuws
Zo gezegd zo gedaan. We hebben beide zoeksporen gevolgd. Na het schoonmaken en het ophangen van nieuwe kasten, hebben we in de winter contact onderhouden met de bewoners. Goed nieuws van twee adressen met nieuwe kasten; steenuilen zijn gezien en gehoord. Op een adres is een wildcamera die op beweging reageert, opgehangen. Daar zijn beelden op te zien van twee steenuilen. Dat is dus een veelbelovend adres. Van een adres met een “oude” kast, hebben we ook hoge verwachtingen. Daar heeft de bewoner in januari met een wildcamera, een steenuil vastgelegd, die met een muis de kast in gaat. We zijn overdag in de omgeving van de steenuilkast erven, gaan kijken.
Lastig
Het tweede zoekspoor is lastig. Op de avond na het mooie noorderlicht, zijn we op verschillende locaties gaan luisteren. Zowel in de buurt van de opgehangen nestkasten, als in een nieuw potentieel goed gebied. Helaas kwam er nergens een reactie op de afgespeelde baltsroep van de steenuil. Wel zagen we heel even een begin van het noorderlicht. Het doofde binnen 2 minuten uit, maar met de telefoon hebben we nog net een foto kunnen maken.
Eind januari, tenslotte, hebben we een minicamera opgehangen in een nestkast, zodat we op die locatie de steenuil zowel buiten als binnen kunnen volgen.
Namens de steenuilen werkgroep
Rob Schoemaker

